< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Einduitspraak. Beroep tegen de verlening van een omgevingsvergunning ten behoeve van een mantelzorgwoning is gegrond verklaard. Niet is aangetoond dat sprake is van mantelzorg in de zin van bijlage II van het Bor.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 17/1978

einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , eisers,

gemachtigde: mr. A.M.L. Josten,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Giessenlanden, verweerder,

gemachtigde: mr. E.A. Schep.

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:

[naam 1] , vergunninghouder, en [naam 2], te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

gemachtigde: mr. A.R. van Tilborg.

Procesverloop

Voor het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 31 oktober 2018 verwijst de rechbank naar die uitspraak.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 8 februari 2017 (het bestreden besluit) in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is verweerder in de gelegenheid gesteld de geconstateerde gebreken te herstellen.

Bij brief van 9 januari 2019 heeft verweerder een aanvullende motivering op de beslissing op bezwaar toegezonden met enkele bijlagen, waaronder aan verweerder gerichte reacties van de gemachtigde van vergunninghouder van 29 november 2018 en 19 december 2018. Ten aanzien van enkele separaat door verweerder ingebrachte medische stukken heeft de rechtbank op 23 januari 2019 in een beslissing ex artikel 8:32, tweede lid, van de Awb bepaald dat de gemachtigde van eisers inzage dient te krijgen in deze medische stukken onder verplichting tot geheimhouding tegenover eisers.

Bij brief van 19 februari 2019 heeft de gemachtigde van eisers op de nadere onderbouwing en de medische stukken gereageerd. Bij separate brief van 19 februari 2019 hebben eisers zelf gereageerd op de nadere onderbouwing. Bij brief van 21 februari 2019 heeft de gemachtigde van vergunninghouder gereageerd op de nadere onderbouwing door verweerder.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 8 maart 2019 gesloten.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak verweerder in de gelegenheid gesteld nader te motiveren dat bij vergunninghouder en/of zijn echtgenote sprake is van mantelzorg in de zin van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

1.2.

De rechtbank heeft verder in de tussenuitspraak verweerder in de gelegenheid gesteld nader te motiveren waarom alternatieven, die leiden tot geen of een geringere overschrijding van de maximale hoogte van 5 meter bij vergunningvrije bijbehorende bouwwerken, onmogelijk of onwenselijk zijn en hoe het mogelijk maken van een mantelzorgwoning met een oppervlakte van 97,4 m2 zich verhoudt tot de uitgangspunten van het bestemmingsplan dat uitgaat van een maximale oppervlakte van 75m2 voor mantelzorgwoningen.

1.3.

Ten slotte heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak verweerder in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen te verschaffen over de exacte maten van de op te richten erfafscheiding.

2.1.

In zijn nadere motivering van 9 januari 2019 heeft verweerder naast een uitgebreide herhaling van de reeds in het bestreden besluit opgenomen motivering verwezen naar de door vergunninghouder ingebrachte nadere medische stukken. Verweerder huldigt het standpunt dat uit deze informatie de behoefte aan mantelzorg in de zin van het Bor blijkt alsook de verlening van mantelzorg door de bewoner(s) van de woning aan de bewoners van de mantelzorgwoning. De door vergunninghouder bij brief van 19 december 2018 overgelegde stukken betreffen een “verklaring mantelzorgwoning, Besluit omgevingsrecht” van 10 december 2018, een tussentijds verslag van de fysiotherapeut van 12 augustus 2014 en een arbeidsdeskundig onderzoek van 11 maart 2010 betrekking hebbend op de echtgenote van vergunninghouder.

2.2.

In zijn nadere motivering heeft verweerder aangevoerd dat de mantelzorgwoning aan de voorzijde 4,8 meter hoog is en voldoet aan de vergunningvrije regeling, maar aan de achterzijde 6,4 meter hoog is. Dit hoogteverschil is onststaan door de ligging van het perceel aan een secundaire waterkering waardoor sprake is van een aflopend terrein. Verweerder heeft verder aangevoerd dat hij bij toepassing van de kruimelregeling voor de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk aansluit bij de mogelijkheden van de vergunningvrije bouwwerken volgens artikel 2, onderdeel 3, bijlage II van het Bor en de kruimelregeling van artikel 4, onderdeel 1, bijlage II van het Bor buiten de bebouwde kom. Beide regelingen komen voor dit perceel (met een bebouwingsgebied van ca. 1.150 m2) uit op maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken. Het bijbehorend bouwwerk van 97,4 m2 past hierbinnen, aldus verweerder. Verder overweegt verweerder dat deze oppervlakte vergunningvrij zou zijn toegestaan en dat volgens het bestemmingsplan op deze plek met de bestemming Woondoeleinden een vervangende woning is toegestaan met een oppervlakte van maximaal 125 m2. Vervolgens overweegt verweerder dat het gebouw feitelijk niet hoger is dan andere gebouwen in de omgeving en past in het heersende straatbeeld. Ook zou volgens verweerder het bestemmingsplan een bijgebouw toestaan waarvan de nokhoogte niet is vastgelegd en zou dit bijgebouw dieper de tuin in kunnen staan. Slechts de goothoogte van het pand voldoet niet aan het bestemmingsplan; de nokhoogte is in het bestemmingsplan niet vastgelegd. Ten aanzien van eventuele alternatieven overweegt verweerder dat een lager aflopend pad de toegankelijkheid van de mantelzorgwoning vermindert. Ook is het daarvoor nodig het gebouw naar achteren te verplaatsen, hetgeen vanwege de aanwezige sloot constructief niet goed te realiseren is. Gelet op het belang van het aspect water kan niet te laag worden gebouwd. Verweerder voert ook aan dat vanuit stedenbouwkundig oogpunt een compacte bouw de voorkeur heeft, waarbij bijgebouwen en hoofdgebouwen niet te ver uit elkaar staan en binnen het bebouwingslint zijn gesitueerd.

2.3.

Ten aanzien van de maten van de erfafscheiding, die verweerder heeft verlangd met het oog op de privacy en het woongenot van eisers, heeft verweerder in zijn nadere motivering met behulp van een tekening uiteengezet dat deze erfafscheiding op eigen terrein van vergunninghouders is geplaatst en vanaf de woning over een lengte van 8,9 meter een hoogte van 2 meter heeft. Aansluitend is er een erfafscheiding (ondoorzichtig hekwerk) van 16 meter lang, vanaf het maaiveld oplopend tot een hoogte van 3,15 meter, gevolgd door een 75 meter lang transparant hekwerk van 1,80 meter hoog.

3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de aangedragen nadere motivering onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van mantelzorg volgens de definitie van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor , te weten: intensieve zorg of ondersteuning aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Zij overweegt daartoe het volgende.

3.1.

Door vergunninghouder is bij brief van 19 december 2018 aan verweerder bericht dat verweerder een verklaring wenste van een andere huisarts maar dat, op grond van richtlijnen van de KNMG, slechts de eigen huisarts een mantelzorgverklaring kan afgeven. Daarbij is gevoegd een “verklaring mantelzorgwoning, Besluit omgevingsrecht”, ondertekend op 10 december 2018 door huisarts [naam huisarts] te Sliedrecht, waarin deze te kennen geeft dat slechts de behandelend arts deze verklaring kan invullen, omdat deze de thuissituatie kent of deze gegevens in het dossier kan opzoeken. Het is de rechtbank niet duidelijk of de eigen huisarts benaderd is voor een mantelzorgverklaring overeenkomstig de definitie van het Bor en, zo ja, wat diens reactie daarop is geweest. Door verweerder is bij brief van 9 januari 2019, waarbij de brief van 19 december 2018 als bijlage was gevoegd, weliswaar gesteld dat enkele andere huisartsen zijn geraadpleegd vanwege ziekte van de eigen huisarts, maar dat sprake is van ziekte van de eigen huisarts kan de rechtbank noch uit de brief van 19 december 2018 noch uit enig ander stuk afleiden.

3.2.

Uit de verder door vergunninghouder nog ingebrachte stukken als bedoeld onder 2.1. kan de rechtbank niet afleiden dat sprake is van mantelzorg volgens de definitie van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor . Het bericht van de fysiotherapeut lijkt betrekking te hebben op in 2014 plotseling opgekomen klachten, die verder niet door een arts zijn geduid. Het ingebrachte rapport uit 2010 is geen medisch rapport maar een rapport van een arbeidsdeskundige waarin aan de hand van de systematiek van de Wet WIA een uitspraak is gedaan over de mate van arbeidsongeschiktheid. Gelet op de aard en de inhoud van deze rapportage kan deze niet dienen tot onderbouwing van de stelling dat sprake is van intensieve zorg of ondersteuning aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt.

3.3.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat in de door vergunninghouder overgelegde verklaringen van de huisarts alleen staat dat mantelzorg nodig is en dat ook uit het overgelegde Wmo-advies niet blijkt van de noodzaak tot mantelzorg volgens de definitie van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor .

3.4.

De rechtbank overweegt voorts nog dat het in haar tussenuitspraak geconstateerde gebrek dat uit het bestreden besluit niet volgt dat sprake is van daadwerkelijke verlening van mantelzorg door een bewoner van de woning [adres] , door verweerder noch door vergunninghouder is hersteld.

3.5.

Dit leidt tot de conclusie dat de door de rechtbank in de tussenuitspraak op het punt van de mantelzorgverklaring geconstateerde gebreken niet zijn hersteld, zodat niet is aangetoond dat sprake is van mantelzorg in de zin van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

4. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat – behoudens toepassing van artikel 1, vierde lid, van bijlage II van het Bor – het onderhavige bouwwerk niet kan worden aangemerkt als een bouwwerk dat functioneel verbonden is met het hoofdgebouw als bedoeld in de definitie van bijbehorend bouwwerk, opgenomen in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor . Op grond van artikel 1, vierde lid, van bijlage II van het Bor wordt voor de toepassing van deze bijlage huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. Nu, gelet op het onder 3. overwogene, verweerder ten onrechte het bouwwerk heeft aangemerkt als huisvesting in verband met mantelzorg volgens de definitie van mantelzorg die is gegeven in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor , is geen sprake van functionele verbondenheid van het bouwwerk met het hoofdgebouw. Gelet hierop heeft verweerder het bouwwerk niet kunnen aanmerken als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Bor , waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚ van de Wabo van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd.

5. Het voorgaande leidt reeds tot de conclusie dat het beroep gegrond is. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.

6. Gelet op het feit dat verweerder de in de tussenuitspraak gegeven herstelmogelijkheid niet heeft kunnen benutten, acht de rechtbank het uitgesloten dat verweerder in staat zal zijn de geconstateerde gebreken alsnog te herstellen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Omdat vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is, had verweerder de aanvraag om omgevingsvergunning dienen te weigeren wegens strijd met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚ van de Wabo in verbinding met artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Bor . Daarom zal de rechtbank het bezwaar van eisers gegrond verklaren en het primaire besluit herroepen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.304,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de reactie op de nadere motivering met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart de bezwaren van eisers gegrond en herroept het primaire besluit;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.304,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.F.J. Fransen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en tegen de tussenuitspraak van 31 oktober 2018 kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature