< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Slijtage walbeschoeiing. Waterschap aansprakelijk vanwege inwerking water? Vordering verjaard. Geen onrechtmatige daad.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/552004 / HA ZA 18-558

Vonnis van 13 maart 2019

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te Hellevoetsluis,

2. [eiser 2],

wonende te Hellevoetsluis,

eisers,

advocaat mr. R.H.U. Keizer,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

WATERSCHAP HOLLANDSE DELTA,

gevestigd te Ridderkerk,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Jacobse.

Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en het Waterschap genoemd worden. Afzonderlijk zullen [eiser 1] c.s. [eiser 1] en [eiser 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding, met producties

de conclusie van antwoord van het Waterschap, met producties

de akte overlegging producties van [eiser 1] c.s.

de akte overlegging productie van het Waterschap

het proces-verbaal van comparitie van partijen van 29 januari 2019 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] c.s. zijn sinds 1992 eigenaar van een woning met een perceel grond op het adres [adres] de Hellevoetsluis. Dit perceel grenst aan een watergang die in eigendom toebehoort aan het Waterschap.

2.2.

[eiser 1] heeft het Waterschap bij brief van 10 april 2013 aansprakelijk gesteld voor het afkalven van het perceel van [eiser 1] c.s. vanwege slecht onderhoud van de beschoeiing en van de slootkant.

2.3.

De aansprakelijkheidsverzekeraar van het Waterschap heeft aan Bureau Crawford opdracht gegeven om een onderzoek in te stellen. Namens dit bureau heeft ingenieur J.S. Venema een onderzoek ingesteld en een rapport opgesteld, dat het Waterschap bij brief van 4 september 2013 naar [eiser 1] c.s. heeft gestuurd.

Conclusie van het rapport is, samengevat, dat er houten resten van de walbeschoeiing zijn waargenomen, dat naar verwachting de slechte staat van de beschoeiing is veroorzaakt door aantasting van het hout, dat door die slechte staat de oever is afgekalfd en dat daardoor ook een schutting op de oever is verzakt. Ook staat in het rapport dat de maximaal opgegeven stroomsnelheid van 0,1 m/s in overeenstemming is met het debiet en het natte doorstroomprofiel en dat een in goede staat bevindende beschoeiing zonder meer bestand is tegen deze maximale stroomsnelheid, zodat de slechte staat van de beschoeiing en de geclaimde schade niet in verband zijn te brengen met de stroomsnelheid in de watergang.

2.4.

[eiser 1] heeft een bestuursrechtelijke procedure gevoerd tegen (een bestuursorgaan van) het Waterschap. In die procedure heeft de rechtbank Rotterdam bij uitspraak van 5 januari 2016 beslist dat op het Waterschap niet de plicht rust om uit hoofde van artikel 2.6 van de Keur de beschoeiing te onderhouden. [eiser 1] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep aangetekend, welk hoger beroep bij uitspraak van 22 februari 2017 van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State ongegrond is verklaard.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser 1] c.s. vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. te verklaren voor recht dat het Waterschap onrechtmatig heeft gehandeld en nog steeds handelt door steun te ontnemen aan (de oever van) het perceel van [eiser 1] c.s. waardoor dat perceel afkalft c.q. kleiner wordt;

II. [eiser 1] c.s. ex artikel 3:299 BW middels het in deze procedure te wijzen vonnis te machtigen om de gevaarzettende situatie direct naast hun perceel te (laten) beëindigen en de schade aan hun perceel te (laten) herstellen, door G. de Pater Grondverzet en Tuinaanleg opdracht te geven om op grond van het Waterschap, direct tegen de kadastrale grens, een deugdelijke walbeschoeiing aan te leggen en de oever van het perceel van [eiser 1] c.s. tot aan de kadastrale grens aan te vullen met nieuwe grond, alles op kosten van het Waterschap, dat op eerste verzoek van [eiser 1] c.s. daartoe binnen twee weken een voorschot € 27.343,32 aan hen dient te voldoen;

Subsidiair

III. het Waterschap te veroordelen om binnen 31 dagen na het in dezen te wijzen vonnis de gevaarzettende situatie direct naast het perceel van [eiser 1] c.s. te (laten) beëindigen en de schade aan het perceel van [eiser 1] c.s. te (laten) herstellen, door op grond van het Waterschap, direct tegen de kadastrale grens, een deugdelijke walbeschoeiing aan te (laten) leggen en de oever van het perceel van [eiser 1] c.s. tot aan de kadastrale grens te (laten) aanvullen met nieuwe grond, op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,- per dag dat het Waterschap daarmee in gebreke blijft, met eventueel een door de rechtbank te bepalen maximum;

Primair en subsidiair

IV. het Waterschap te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen

een bedrag van € 131,- aan nasalaris advocaat, te vermeerderen, indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de (proceskosten)veroordeling in dit vonnis zal zijn voldaan, met € 68,- aan nasalaris advocaat, evenals de kosten van betekening.

3.2.

Het Waterschap voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

3.3.

De stellingen en weren zullen, waar nodig, in de beoordeling worden betrokken.

4 De beoordeling

4.1.

In geschil is de vraag of het Waterschap aansprakelijk is te houden voor de schade die [eiser 1] c.s. stellen te leiden door afkalving van hun grond ter plaatse van de in eigendom aan het Waterschap toebehorende watergang.

4.2.

De meest verstrekkende verweren van het Waterschap zijn het beroep op het verzaken van de klachtplicht door [eiser 1] c.s. en het beroep op verjaring.

4.3.

Het beroep op het verzaken van de klachtplicht faalt. Het Waterschap voert niet aan dat zij niet meer in staat is te onderzoeken óf zij aansprakelijk is omdat zo laat geklaagd is. Het Waterschap weet wat er aan de hand is maar zij betwist principieel, op inhoudelijke gronden, aansprakelijk te zijn. Klagen zou dus geen zin hebben gehad.

Aan dit oordeel doet niet af dat het Waterschap aanvoert dat door het gesteld late klagen de schade verder is opgelopen dan nodig was. Die kwestie behoort (pas) aan de orde te komen bij de beantwoording van de vraag of de eventueel toe te kennen schadevergoeding moet worden verlaagd wegens eigen schuld van de benadeelde.

4.4.

Over het beroep op verjaring wordt als volgt geoordeeld.

4.5.

Het gaat hier om een vordering tot vergoeding van schade. Een dergelijke vordering verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.

4.6.

In dit geval is voormelde termijn van 20 jaren verstreken. Daarom slaagt het beroep op verjaring. [eiser 1] c.s. hebben ter comparitie verklaard, en daarmee erkend, dat de beschoeiing al aanwezig is sinds 1977 en dat zij bij aankoop van de woning met het perceel grond in 1992 op de hoogte waren van de staat van de beschoeiing op dat moment. [eiser 1] c.s. stellen in dit verband dat in 1977 een ruilverkaveling heeft plaatsgevonden waarbij het Waterschap destijds zorg heeft gedragen voor het aanbrengen van de walbeschoeiing. Het gaat hier dus om een walbeschoeiing die ten tijde van de stuitingsbrief (uit 2013) al 36 jaar oud was. Slijtage van een walbeschoeiing/ het afkalven van de grond vanwege de inwerking van oppervlaktewater is een min of meer sluipend proces. Daarbij speelt mogelijk een rol of voldoende onderhoud wordt gepleegd aan de beschoeiing. Dat en op welke grond het Waterschap een onderhoudsplicht heeft voor de beschoeiing, hebben (buiten het kader van art. 6:174 BW dan wel 6:162 BW) [eiser 1] c.s. onvoldoende onderbouwd. Mogelijk speelt ook een rol dat het periodieke openzetten van een of meer sluizen door het Waterschap om te spuien het water soms sneller kan doen stromen, zodat de inwerking van het water op de beschoeiing op die momenten groter kan zijn. Of en zo ja vanaf welke datum sprake is geweest van (toegenomen) spuien van water met dit effect ter plaatse van het perceel van [eiser 1] c.s., is echter onvoldoende concreet onderbouwd. Er dient derhalve vanuit te worden gegaan dat slijtage van de beschoeiing en het afkalven van de grond al gaande was en daarmee kenbaar, toen [eiser 1] c.s. de woning met het perceel in 1992 in eigendom verkregen en dus ook in 1993 (20 jaar voorafgaand aan de stuitingbrief). Volgens het deskundigenrapport is de walbeschoeiing, die dateert uit 1977 thans, in 2018, nagenoeg volledig vergaan. Eén en ander rechtvaardigt geen andere conclusie dan dat er ook in 1993 al enige schade moet zijn opgetreden aan de walbeschoeiing. [eiser 1] c.s. stellen geen feiten of omstandigheden die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de schade pas na 1993 is gaan optreden.

4.7.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de vordering ook is verjaard op de grondslag dat vijf jaren zijn verstreken na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Een walbeschoeiing die in 1977 is aangebracht en die in 2018 nagenoeg volledig was vergaan, moet ook al in 2008 (5 jaar voor de stuitingsbrief uit 2013) in een niet al te beste conditie zijn geweest, of althans moet toen al enige schade waarneembaar zijn geweest. Dit wordt ondersteund door de foto’s die [eiser 1] c.s. hebben overgelegd. In dit oordeel weegt de rechtbank mee dat het Waterschap een artikel uit een tijdschrift heeft overgelegd waarin staat dat een walbeschoeiing 10 tot 30 jaar mee pleegt te gaan, soms langer, afhankelijk van de kwaliteit daarvan. [eiser 1] c.s. hebben op dit gemotiveerde verweer niet nader onderbouwd gereageerd. Integendeel, [eiser 1] c.s. hebben slechts erkend dat de walbeschoeiing ten tijde van de stuiting al 36 jaar oud was. In zoverre is het verweer dat de schade al langer dan vijf jaren zichtbaar moet zijn geweest, onvoldoende gemotiveerd weersproken.

4.8.

[eiser 1] c.s. beroepen zich meer in het bijzonder op opstalaansprakelijkheid (artikel 6:174 BW). Zij stellen daartoe dat de houten walbeschoeiing kwalificeert als opstal omdat het een werk betreft dat duurzaam met de grond is verenigd en dat, nu het Waterschap in de openbare registers als eigenaar van het perceel onder de watergang staat ingeschreven, het Waterschap wordt vermoed bezitter van de walbeschoeiing te zijn (artikel 6: 174 lid 5 BW). Op zich is niet in geding dat de walbeschoeiing (voor zover nog aanwezig), geplaatst is op grond die aan het Waterschap in eigendom toebehoort. Dit betekent dat de erfgrens in dit geval niet geheel gelijk loopt met de watergrens. Wel voert het Waterschap aan dat de walbeschoeiing zonder haar instemming of medeweten is geplaatst. Dit maakt echter niet uit. Ook dan is het Waterschap bezitter van de walbeschoeiing. Een walbeschoeiing kan als doel hebben het afkalven van eigen grond tegen te gaan. De zorgvuldigheid die tegenover een buurman betaamt gaat echter niet, althans niet zonder meer, zo ver dat een walbeschoeiing geplaatst moet worden om het afkalven van de achtergelegen grond van de buurman tegen te gaan. In dit oordeel weegt mee dat volgens artikel 5:29 BW de grens van een langs een water liggend erf zich in beginsel verplaatst met de oeverlijn. Verplaatsing van de oeverlijn kan het gevolg zijn van een wijziging in de waterstand, maar ook van enige erosie. De wettelijke consequentie van verplaatsing van de oeverlijn is dus een wijziging van de erfgrens, niet aansprakelijkheid van de buurman aan wie het water toebehoort. Indien die walbeschoeiing wel is geplaatst maar vervolgens langzamerhand vergaat, wordt in zoverre slechts teruggegaan naar de oude toestand zonder walbeschoeiing. [eiser 1] c.s. zijn dan niet slechter af dan voorheen. Dan mag niet gesproken worden van een gebrekkige opstal. Het beroep op aansprakelijkheid vanwege een gebrekkige opstal faalt derhalve.

4.9.

Ook het beroep van [eiser 1] c.s. op onrechtmatige hinder faalt. Onrechtmatige hinder (zoals bedoeld in artikel 5:37 BW) ziet op gebeurtenissen als rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, het onthouden van licht of lucht of het ontnemen van steun. Er is hier sprake van gestelde afkalving van de grond door de inwerking van het water, oftewel erosie. Het afkalven van de walkant onder invloed van water is veeleer een fysieke vorm van schade dan hinder. Indien niettemin gesproken zou mogen worden van hinder, dient de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder te worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Daarbij is onder meer van belang wie van partijen er het eerst zat. [eiser 1] c.s. stellen dat zij er niet voor hebben gekozen om een watergang naast hun perceel te realiseren. Echter, de watergang lag er al toen [eiser 1] c.s. er kwamen wonen. Het is een feit van algemene bekendheid dat water enige erosie kan veroorzaken, dus de erosie was voorzienbaar.

4.10.

[eiser 1] c.s. beroepen zich op aansprakelijkheid van het Waterschap wegens gevaarzetting. Het dient aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordeeld te worden of en in hoeverre aan iemand die een situatie in het leven roept die voor anderen bij niet-inachtneming van vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij rekening houdt met mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen treft. In onderhavige geval valt niet in te zien waarom sprake is van een gevaarlijke situatie. Er is hier slechts sprake van afkalvende grond. Er is geen sprake van bijvoorbeeld instortingsgevaar van een gebouw dat al te dicht bij een hoge, afkalvende walkant staat.

4.11.

[eiser 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het Waterschap. Deze kosten worden begroot op € 3.340,-, zijnde:

- € 1.390,- aan salaris advocaat (aan de hand van de Liquidatietarieven, 2 punten, tarief III ad € 695,- per punt voor zaken met een geldswaarde van € 20.000,- tot € 40.000,-)

- € 1.950,- griffierecht.

Dit bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente (zij het dat aan [eiser 1] c.s. een termijn voor vrijwillige nakoming dient te worden gegund) en met nakosten (conform de huidige tarieven) en uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Wettelijke rente is niet toewijsbaar over de nakosten, nu niet van tevoren valt te zeggen wanneer de nakosten gemaakt zullen worden en dus evenmin wanneer het - voor het recht op wettelijke rente vereiste - verzuim zal intreden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiser 1] c.s. in de proceskosten van het Waterschap, tot op heden begroot op € 3.340,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening en voorts vermeerderd met € 157,- voor nasalaris zonder betekening, en, in geval betekening van het vonnis plaatsvindt, met € 82,- en de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2019.

[2517/2504]


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature