Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van en het dealen in verdovende middelen en het voorhanden hebben van munitie. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk. Overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/700276-15

Parketnummer gevoegde zaak: 10/060045-15

Datum uitspraak: 16 november 2018

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. M.G.J. Smit, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23 juni 2015, 31 augustus 2015 (zulks op de voet van artikel 377, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering ) en van 14 oktober 2015, 22 juni 2018 en 2 november 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/700276-15 ten laste gelegde;

bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/060045-15 onder 1 en 2 ten laste gelegde;

bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/090109-15 ten laste gelegde (gevoegd bij de zaken onder parketnummer 10/060045-15);

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van alle hiervoor genoemde zaken niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn omdat er sinds de inverzekeringstelling van de verdachte bijna drieënhalf jaar is verstreken.

4.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een overschrijding van de redelijke termijn, gelet op vaste jurisprudentie, in beginsel niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie maar tot strafvermindering waarmee hij reeds rekening heeft gehouden bij zijn vordering.

4.3.

Beoordeling

Vast staat dat de redelijke termijn is overschreden. Volgens vaste jurisprudentie leidt dit echter niet tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, behoudens uitzonderlijke omstandigheden. Er zijn geen uitzonderlijke omstandigheden door de verdediging aangevoerd die maken dat van deze hoofdregel zou moeten worden afgeweken.

4.4.

Conclusie

De officier van justitie is ontvankelijk.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering - (parketnummer 10/060045-15)

De onder parketnummer 10/060045-15 ten laste gelegde feiten zijn door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

5.2.

Bewijswaardering – (parketnummer 10/700276-15)

5.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het aan de verdachte ten laste gelegde feit. De officier van justitie acht het medeplegen van het dealen in harddrugs echter niet bewezen en vordert dat de verdachte hiervan partieel wordt vrijgesproken.

5.2.2.

Standpunt verdediging

De verdachte ontkent te hebben gedeald in drugs, maar verklaart wel eens kleine hoeveelheid te hebben weggegeven aan medegebruikers. Volgens de verdediging zijn de verklaringen van de getuigen ongeloofwaardig, dan wel onbetrouwbaar aangezien deze mogelijk onder druk bij de politie zijn afgelegd. Bovendien zijn de verklaringen volgens de verdediging inconsistent en worden deze verklaringen niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Daarom moet de verdachte worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

5.2.3.

Beoordeling

De rechtbank stelt het volgende vast.

Door de politie heeft naar aanleiding van meerdere meldingen betreffende drugsoverlast vanuit en in de woningen gelegen in Rotterdam aan de [adresssen delict] , onderzoek gedaan. De politie heeft de woningen geobserveerd en de verbalisanten zagen dat dat veel personen die zij kenden als harddrugsverslaafden of personen met de uiterlijke kenmerken van harddrugsverslaafden, kortdurende contacten hadden met onder meer de bewoner van de [adres delict 1] te Rotterdam, de woning van de verdachte. Daarnaast blijkt uit diverse observaties dat er ook veel kortdurende contacten plaats vonden voor de woning van de medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) aan de [adres delict 2] . Deze personen waren, nadat zij kortstondig contact hebben gehad voor of in de woning van verdachte of diens medeverdachte, vervolgens in het bezit van verdovende middelen.

Door de getuigen [naam getuige 1] , [naam getuige 2] , [naam getuige 3] , en [naam getuige 4] is verklaard over het feit dat zij gedurende een bepaalde periode cocaïne kochten bij de persoon die woonachtig is op de [adres delict 1] . Door deze drugsgebruikers is daarnaast verklaard dat zij deze persoon vooral kennen als [nickname 1 verdachte] of [nickname 2 verdachte] . De verdachte heeft tijdens de zitting verklaard dat hij door anderen [nickname 1 verdachte] wordt genoemd. Wanneer aan de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 3] een foto van de verdachte wordt getoond, herkennen zij die persoon als zijnde [nickname 1 verdachte] , hun dealer die woonachtig is aan de [adres delict 1] .

Hierbij is ook van belang dat de verdachte al eerder, op 25 maart 2015, is aangehouden na het verlaten van het pand aan de [adres delict 3] . Ook dit pand werd na vele klachten over drugsoverlast door de politie in de gaten gehouden. Bij het verlaten van het pand werd de verdachte aangehouden en had hij cocaïne in zijn bezit. In dat pand zijn [naam getuige 2] , [naam getuige 3] en [naam getuige 4] eveneens aangehouden. [naam getuige 3] heeft toen aan de politie verklaard dat hij en zijn medebewoners dealers bellen en dat die dan bij hen thuis komen verkopen en dat zijn dealers wonen op de [adresssen delict] , de woonadressen van de verdachte en de medeverdachte.

Betrouwbaarheid verklaringen getuigen

De voornoemde getuigen hebben allen consistent verklaard en een (mede) voor hen zelf belastende verklaring afgelegd dat zij gedurende langere tijd drugs bij een dealer hebben gekocht. Niet valt in te zien waarom zij ook zichzelf in strijd met de waarheid zouden belasten. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen zoals deze zijn afgelegd bij de politie, te twijfelen, temeer nu deze in de kern en op essentiële punten met elkaar overeen komen en een consistent beeld schetsen van de handelwijze van de verdachte (en zijn medeverdachte). De rechtbank verwerpt dit verweer en gaat daarom uit van de door de getuigen bij de politie afgelegde verklaringen omdat deze kort na de aanhouding zijn afgelegd en worden ondersteund door de vele observaties die hebben plaatsgevonden bij de woningen Daar komt bij dat bij de diverse getuigen ook daadwerkelijk, zo is gebleken uit nader onderzoek, verdovende middelen zijn aangetroffen kort nadat zij contact hadden met de verdachte of uit zijn woning vertrokken. Dit alles bij elkaar wijst - naar het oordeel van de rechtbank- op de verkoop van drugs door de verdachte.

Pleegperiode

Getuige [naam getuige 1] heeft op 17 juni 2015 verklaard dat hij bij de persoon die op de [adres delict 1] woont al sinds een anderhalf jaar drugs kocht. Daarmee staat vast dat deze getuige in de ten laste gelegde periode drugs kocht bij de verdachte. Ook getuige [naam getuige 2] verklaart dat hij gedurende een jaar, 3 tot 4 keer per week drugs kocht bij verdachte.

Medeplegen

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat er tussen de verdachte en de medeverdachte sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. De verdachten wisten weliswaar van elkaar dat zij beiden harddrugs verkochten, maar het dossier biedt geen aanknopingspunten voor een samenwerking tussen beiden. De verdachte zal partieel worden vrijgesproken ter zake van het medeplegen.

5.2.4.

Conclusie

Bewezen is dat verdachte het onder parketnummer 10/700276-15 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte wordt partieel vrijgesproken ter zake van het medeplegen van dit feit.

5.3.

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder parketnummers 10/700276-15 en 10/060045-15 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Parketnummer 10/700276-15

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 7 juli 2015 te Rotterdam, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Parketnummer 10/060045-15

1.

hij op 25 maart 2015 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op 25 maart 2015 te Rotterdam munitie in de zin van art. 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art.2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 4 kogelpatronen van het merk Geco, kaliber 6.35 mm, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Parketnummer 10/700276-15

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

Parketnummer 10/060045-15

1. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

2 handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie .

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft harddrugs gedeald gedurende een periode van anderhalf jaar. Door zijn handelen heeft hij bijgedragen aan de eenvoudige beschikbaarheid van harddrugs en daarmee het ontstaan en het in stand houden van drugsafhankelijkheid bij derden, waardoor hun gezondheid in gevaar is gebracht. Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van en de handel in drugs direct en indirect leidt tot vele vormen van criminaliteit en daarmee een bron van overlast voor de samenleving vormt. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd.

Daarnaast zijn bij de doorzoeking in zijn woning vier kogelpatronen aangetroffen en heeft de verdachte op de dag van zijn aanhouding 2,2 gram cocaïne voorhanden gehad.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

18 oktober 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

8.3.2.

Afsplitsing zaak met parketnummer 10/090109-15

De rechtbank overweegt dat de zaak met parketnummer 10/090109-15 eerder gevoegd is met de onderhavige zaken onder parketnummers 10/700216-15 en 10/060045-15, en dat de behandeling met deze zaken gezamenlijk heeft plaatsgevonden tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 2 november 2018. Voorts is de rechtbank bekend met het feit dat er, vanwege twee administratieve systemen en in verband met de executie van de opgelegde straffen en/of maatregelen, van de opgelegde straffen en/of maatregelen onder verschillende parketnummers separate vonnissen dienen te worden gemaakt. De rechtbank zal daarom deze zaak met parketnummer 10/090109-15 afsplitsen van de zaken met de parketnummers 10/700216-15 en 10/060045-15. Voor de zaak met parketnummer 10/090109-15 is een separaat vonnis gewezen.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Bij de berechting van een zaak, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 7 juli 2015 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Tussen 7 juli 2015 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van bijna drieënhalf jaar. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van 2 jaar, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van bijna anderhalf jaar. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf.

In het geval de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank gelet op alle omstandigheden en artikel 63 Sv een onvoorwaardelijke gevan genisstraf hebben opgelegd van vijftien maanden. Gelet op het voorgaande en gelet op alle persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals zijn leeftijd, zal de rechtbank de verdachte weliswaar een gevangenisstraf opleggen maar dan van tien maanden en waarvan een groot deel voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal gelijk zijn aan de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, zodat de verdachte niet meer terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn daarmee voldoende is verdisconteerd in de gevorderde straf van de officier van justitie.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2 van 10 van de Opiumwet en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/700276-15 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde gevoegde feiten onder parketnummer 10/060045-15, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 7 (zeven) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 1 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

splitst de eerder gevoegde zaak met parketnummer 10/090109-15 af van de zaken onder parketnummers: 10/700275-15 en 10/060045-15.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.H.J. Stemker Köster, voorzitter,

en mrs. A.M. van der Leeden en P.E. van Althuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Herwijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Parketnummer 10/700276-15

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 07 juli 2015 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Parketnummer 10/060045-15

1.

hij op of omstreeks 25 maart 2015 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 25 maart 2015 te Rotterdam munitie in de zin van art. 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art.2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 4 kogelpatronen van het merk Geco, kaliber 6.35 mm, voorhanden heeft gehad;


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature